boeken met vlinderlamp

Lantaarn 18

9 oktober 2020 15 - 20 minuten

In 2016 schreef ik onderstaand verhaal tijdens de les Proza van de Schrijversvakschool en stuurde het in voor de jaarlijkse wedstrijd bij LetterRijn. Opnieuw een publicatie. Dit keer moest het verhaal minder bovennatuurlijk zijn, maar wel ijskoud worden. De Scandinavische thrillerschrijvers waren ons voorbeeld. Ik bleef in Nederland en plaatste mijn verhaal in mijn vorige woonplaats, Onnen.

Lantaarn 18

Met mijn kin diep in mijn das probeer ik de ijzige wind niet te voelen. Het is donker, laat en ik ben moe. Het beeld van een wasbleek opengesneden lichaam danst voor mijn ogen: praktijkles. Ik ruik de formaldehyde nog en ben blij met een beetje frisse lucht, maar dit is weer wat veel. Bij de volgende bocht fiets ik onder de bomen en hoef ik alleen nog maar tot dertig te tellen. Over dertig lantaarnpalen ben ik thuis. Lekker warm in mijn bed. Ik snak naar mijn bed.

Eén. De lantaarnpalen staan afwisselend links en rechts en ik begin rechts te tellen. Het is een kinderlijk ritueel, ooit verzonnen door Eva, maar we houden er allebei nog aan vast. Alsof we daarmee onze jeugd ijken, iets proberen te vangen wat vanzelf vervliegt. Drie, vier. Het gelige lantaarnlicht werpt grillige schaduwen van kale takken op het pad. Aan weerskanten van de weg liggen hoopjes sneeuw die ijs zijn geworden. Ze glinsteren, wat het onheilspellende effect van het lantaarnlicht iets opheft. Op het fietspad is gestrooid; het zout knarst monotoon onder mijn banden. Acht, negen. Het is stil op dit weggetje en dat wordt slechts af en toe onderbroken door het ruisen van de wind. Twaalf, dertien. Boven mij kraakt het. Ergens blaft een hond, waarschijnlijk bij de Jaspersens. Zeventien, achttien. Onder een struik in het gele licht slingert een schoen. Ik zie zelfs een broek. Ik kijk even over mijn schouder naar de verlaten vodden. In het diffuse schijnsel zie ik nu ook een jas. Abrupt rem ik en val bijna met fiets en al om. Ik ken die jas. Overdag is hij rood. Ik stap af, zet de fiets op de standaard en loop voorzichtig naar de lantaarn toe. Alleen het geknerp van mijn voetstappen in de sneeuw is hoorbaar. De hond is opgehouden met blaffen.

Half in de greppel, half naast de bosjes ligt een vrouw.
Terwijl ik mijn handen voor mijn mond sla, scan ik automatisch het lichaam, zoals ik tijdens mijn studie heb geleerd: het ene been bevindt zich gebogen onder het andere. Een gehandschoende hand rust op de derde jasknoop, bij de buik. De andere arm strekt zich uit en de hand daarvan is bloot. De vingers zijn ontspannen gekromd. Haar gezicht kijkt in de richting van de uitgestrekte arm, haar ogen zijn dicht, haar lippen blauw en licht geopend. Er parelen ijsdruppeltjes op haar gezicht. Ik hoef haar pols niet meer te voelen.
‘Eva!’ Met een schok kom ik tot mezelf. ‘Eva.’ Maar wacht even: nee, nee, dat kan niet. Eva ligt vast lekker warm in bed. Of is bij haar vriend. Ja. Ja, dus dit is Eva niet. Nee. Nee. Nee, kan gewoon niet! Mijn blikveld tunnelt naar het pluizige bolletje bovenop haar muts. Het is precies Eva: pluizig, zacht, warm en grappig. Ik haal diep adem, wil in huilen uitbarsten, maar alles blijft steken.
‘Godver!’ scheld ik in plaats van te huilen. ‘Godver, godverdego...’ Ik draai om mijn as, haal mijn handen door mijn haar, draai weer om mijn as. Dan pakt mijn interne patholoog mijn mobiel en belt 112. Als ik de motor van de politieauto hoor en de blauwe zwaailichten zie, heb ik opgemerkt dat er een heleboel niet is: bloed, trauma’s op het lichaam, geweldssporen, verminking. En haar handschoen.
‘Wat is er in godsnaam gebeurd, Eva?’
Het bolletje op de muts wiegt zacht in de weer opstekende wind. 

Ondanks de onversierde glas-in-loodruitjes en de witgepleisterde muur schemert het hierbinnen. Naast me zit mevrouw de Wit, de moeder van Eva, die mijn hand fijnknijpt, naast haar Niels met roodomrande ogen. Ook zijn hand wordt fijngeknepen. We blazen kleine ademwolkjes uit. Achter me hoor ik het kuchen en snotteren van de overige aanwezigen. De opkomst is hoog.
Een man in een zwarte toga spreekt van leven in de Here. Ik trek mijn hoofdbedekking wat losser. Een blik om me heen leert dat ik die moeite niet had hoeven doen en ik duik nog iets meer weg in mijn jas. Buurvrouw Jaspersen loert voor de derde keer naar me met een samengetrokken mond en stoot met kracht wolkjes uit. Mevrouw de Wit laat mijn hand los en barst in huilen uit. 
Op een karretje zonder bekleding staat de witte kist. Ervoor ligt een kleine krans met witte bloemen en twee linten. Rust zacht, Eva staat op de ene kant en R.I.P. Je vrienden op de andere. De letters glimmen zilverkleurig en streng. Ik vraag me af wie die vrienden zijn. Mevrouw de Wit snikt geruisloos, waarbij haar schouders hevig schokken. Ik vis een zakdoekje uit het pakje op mijn schoot. Ik geef het haar, wrijf zacht over haar rug. Ik wilde dat ik zo kon huilen als zij. Ik ben ook verdrietig, alleen komen er maar geen tranen.

titelblad lantaarn 18

Eva’s lichaam werd een dag nadat ik haar had gevonden, vrijgegeven voor de begrafenis. Ongeluk, was de mening van de schouwarts. Over een paar dagen maakt hij de doodsoorzaak officieel bekend. Ik heb al een vermoeden, gezien de bevroren druppeltjes op haar gezicht. Toch durf ik niet te speculeren, omdat ik niet alle feiten ken. Buurvrouw Jaspersen trok het regelen van de begrafenis naar zich toe, met het gevolg dat we hier zitten en niet feestvieren. De aanwezigen brommen ‘de Here zij met u’ en ‘amen’ op iets wat de man zegt. Zijn toespraak duurt maar en duurt maar. Ik ril. Mijn gedachten dwalen af.
‘Feest en crematie. Punt,’ had Eva jaren geleden tegen me gezegd, toen we nog regelmatig giechelbuien hadden. Ze benadrukte de punt met een knik van haar hoofd, trok een blaadje van een struik en wreef dat fijn tussen haar vingers.
‘Wat maakt het nou uit of je begraven wordt of gecremeerd,’ zei ik, een stenen muurtje met een takje volgend. 

Eva snoof. ‘Begraven is bodemvervuiling.’
‘Helemaal niet, je wordt voedsel voor de planten en dieren.’
‘Hm ...’ zei Eva en wreef met het blaadje over haar neus. Er bleef een heel lichtgroene streep achter. ‘Maar toch wil ik gecremeerd worden. Dan kan ik in vlammen uitbarsten. En daarna vliegen.’
Ik giechelde, gooide het takje over een schutting.
‘Maar het allerliefste zou ik gewoon uit elkaar vallen,’ ging ze verder. ‘Of nee, nog beter, verdampen! Ja! Waterdruppeltjes worden. Als zure regen neerkletteren op mijn vijanden.’
‘Je bent gek.’
‘Van de regen in de drup. Dat wil ik.’
‘Nou, daar komt je bui al aan.’
We struikelden gierend en hikkend en arm in arm naar Eva’s huis. Tegen de tijd dat we daar aankwamen, had menig dorpsbewoner ons nagekeken, sommige zelfs boos. We waren doorweekt en sindsdien gebruikten we de uitdrukking te pas en te onpas: om aan te geven dat die jongen met die stoere scooter toch niet zo’n goede keuze zou zijn. Of om het resultaat van een examen te waarderen. Het werd onze code als mevrouw de Wit weer te veel had gedronken en Eva bij mij kwam slapen.

Het geruis van kleding en gehoest brengt me weer in het nu. Het karretje met kist wordt naar buiten gerold. Ik volg de anderen en denk ondertussen aan de manier waarop Eva altijd schuin omhoogkeek, zoals dat engeltje van Botticelli, aan haar intonatie en het huppeltje in haar pas als ze van de regen in de drup zei. Ik krijg een venijnige por in mijn zij.
‘Tijdens een begrafenisdienst wordt er niet gelachen,’ zegt buurvrouw Jaspersen. Er belandt een spettertje speeksel op mijn mouw.
De ceremonie bij de gegraven kuil in de ijskoude grond duurt naar mijn idee nog langer. De man in de toga is op dreef. Als het achter de rug is, loop ik volledig verkleumd achter mevrouw de Wit en Niels aan. Buurvrouw Jaspersen zorgt dat de baan voor hen vrij is en duwt ruw twee jongetjes van het pad die niet snel genoeg opzijgaan. Bij het hek staan twee dames flyers uit te delen. Ze zien er nagenoeg hetzelfde uit in hun bodywarmer en dragen een grote button op hun borst met de tekst Ons dorp. Ze praten fluisterend en staan de kerkgangers met een gepaste glimlach op te wachten. Mevrouw de Wit neemt zonder te kijken het foldertje aan. Ik doe mijn hoofddoek af ondanks dat ik klappertand en gris het blaadje uit de hand van een van de twee bodywarmers. In een dik lettertype worden de dorpsbewoners uitgenodigd te komen praten over de recente gebeurtenissen in het dorp. Recente gebeurtenissen? Eva’s dood?
‘De brutaliteit,’ zegt de ene bodywarmer ineens hardop tegen haar vriendin. ‘Zie je nou dat we dit niet voor niets doen?’
Ik prop opkijkend mijn hoofddoek in mijn zak. Aan de overkant van de straat leunt een gebogen figuur tegen een lantaarnpaal. Het is Hamid. Vaag herinner ik me dat Eva twee weken geleden iets vertelde over een opstootje. Ik weet nog wel dat ik half luisterde en een plaatje in mijn boek erin probeerde te stampen. Lateraal, dorsaal, proximaal. Het foldertje meldt ook nog dat de man in de toga als een baken van hoop en licht aanwezig zal zijn. Ik prop het papier in mijn andere zak.
‘Kijk nou toch!’ zegt de andere bodywarmer. ‘Hij staat daar gewoon te wachten om rottigheid uit te halen. Bij een begráfenis.’
‘De brutaliteit.’
Ik steek mijn hand op om Hamid te groeten, maar hij is al weg. Ik kijk de twee bodywarmers boos aan. Ik doe mijn mond open, want ik wil een heleboel tegelijk zeggen: over dat we een vrij land zijn, over Eva, over dat hun geflyer nogal ongepast is, over ... Maar er komt alleen een grommend geluid uit me. Mijn wangen voelen warm en snel haal ik Niels in.
‘We moeten een feestje voor haar organiseren,’ zeg ik. Niels zegt niets. ‘Voor Eva. Zij wilde een feestje.’ 
Niels haalt zijn schouders op.
‘Ik heb het wel over je zus, hoor,’ zeg ik en stomp hem tegen zijn bovenarm. Hij reageert niet, maar loopt met gebogen hoofd en zijn handen diep in zijn zakken naar het enige horecazaaltje dat ons dorp rijk is. Voor de gelegenheid staan er wat tuintafels en -stoelen in de ruimte, verder is het leeg. Buurvrouw Jaspersen heeft zelf thermosflessen koffie en thee meegenomen en draagt een andere buurvrouw nu op de cake te snijden - niet te dik, hoor, Gea - en rond te delen. Buurvrouw Jaspersen dirigeert mevrouw de Wit en Niels naar een hoek en iedereen kan nu in een lange rij langs hen lopen om hen te condoleren, hetgeen ordelijk verloopt. Ik omhels ze beiden en ga aan de andere kant van het zaaltje staan. Gea duwt een plastic bekertje koffie en een papieren servetje met een flinterdun plakje cake erop in mijn handen.
‘Mooie dienst, hè, zo helemaal van óns,’ zegt ze met een glimlach. Ik frons en neem een hap van de cake. Hij is droog en vet tegelijk. Ik spuw hem uit in het servetje en zoek naar een prullenbak.

Steeds als ik mijn ogen dicht doe zie ik fijne ijsdruppeltjes voor me. De glinstering is lichtblauw en wit. Eva’s blauwe lippen passen zo mooi bij die winterse schittering. Haar gezicht is zo sereen. Meestal vloeit het beeld over in haar hand zonder handschoen. Vrijwel meteen erna stompt het besef dat ze dood is, me midden in mijn maag. Nu ook weer. Het is een paar dagen na de begrafenis en ik sta bij het bosje naast lantaarn 18. Er is iets mee, met die hand. Alsof ze naar iets heeft gezocht en het niet kon vinden. Ik til een van de onderste takken op: zwerfvuil, maar geen handschoen of iets anders. Lantaarn 18 ligt midden op de route van haar huis naar de Dorpsweg. Ging ze naar huis of ging ze naar de Dorpsweg?
‘Daders gaan altijd naar de plek des onheils terug, wist je dat?’ zegt een jongensstem achter me. Ik draai me om. Vier opgeschoten knullen in zwarte jassen staan naar me te kijken. Een witte hond gromt naar me. Hij heeft bloeddoorlopen ogen. Zijn baas rukt aan de ketting die licht rinkelt. Hij trekt de hond dichter naar zich toe. Doet een stap in mijn richting. Ik blijf doodstil staan. De hond ruikt muf en kwijlt. De jongen maakt een beweging of hij me iets wil aandoen. Ik deins achteruit, hij kijkt me strak aan. 

‘Ik zou maar heel goed oppassen, als ik jou was,’ zegt hij langzaam. Ik antwoord niet, houd de hond in de gaten. De jongens achter hem knikken. Ze vormen een zwarte muur. Ik kijk om me heen. Wil weg. Hij doet nog een stap naar me toe. Ik houd mijn adem in. Sta klaar om te rennen.
Ineens ontspant hij zich en vervolgt grijnzend zijn weg met de hond naast zich en de drie anderen achter zich aan. Ik draai me om, adem uit en steun met mijn voorhoofd tegen de lantaarnpaal. De koude ijzergeur maakt me misselijk. Tranen prikken, maar ze stromen niet. Pas als mijn hartslag weer normaal is, slenter ik naar huis. Extra langzaam, zodat ik die vier niet meer tegen hoef te komen. Onderweg besef ik met een schok dat een van die vier Niels was. Ik bal mijn vuisten.
   
Mevrouw de Wit schudt haar hoofd als ik die avond voorstel het feestje voor Eva bij hen in de tuin te houden. De schuur is ook geen optie. En ze huilt weer. 
‘Ga weg,’ zegt mevrouw de Wit. ‘Een feestje? Ik rouw om mijn dochter.

boeken met vlinderlamp

En jij? Om wie rouw jij? Je huilt niet, je praat niet. En nu wil je een feestje? Wat ben jij voor een vriendin?’
Ik knipper een paar keer met mijn ogen. ‘Maar Eva wilde ...’ begin ik.
‘Ga weg, zei ik.’
Op weg naar buiten smijt ik de deur achter me dicht. De avondkilte omhult me direct als ik het erf af ren en richting Dorpsweg stuif.
‘Eva wilde een feestje!’ roep ik. Niemand hoort me. Andere gelegenheden dan het horecazaaltje zijn er niet in dit dorp. Als ik het gebouw betreed om de praktische zaken te regelen, hangen er meer dan veertig jassen in de hal. De klapdeur naar het zaaltje zelf is dicht, maar door het bewerkte glas van de ene deur zie ik een heleboel silhouetten en hoor ik de schelle stem van buurvrouw Jaspersen overal bovenuit. De geur van natte mest overvalt me als ik dichter bij de klapdeuren kom. Het aanplakbiljet op de andere ruit toont de flyer die bij de begrafenis werd uitgedeeld. Ik glip tijdens een applaus nieuwsgierig naar binnen. Het zaaltje zit en staat vol. Er hangt een schrale geur van oude koffie en zweet. Mannen hangen in de vensterbanken, leunen tegen de muren, vrouwen en jongeren zitten. Ik blijf bij de deur staan. Niels zit op de vierde rij omringd door jongens van zijn leeftijd, waaronder de drie van vanmiddag.
‘Laten we het even centraal houden,’ zegt de man van de kerk, nu in een normaal pak. Hij maant het publiek tot stilte met zijn handen. ‘Goed, dus die kwestie is afgehandeld. Volgende punt. Het tragische overlijden van Eva de Wit. Wil iemand iets kwijt?’
Even is alleen het schuiven van stoelen, gefluister en ingehouden gekuch te horen. Dan roept de jongen met de lelijke hond: ‘Het was moord!’
‘Waarom zeg je dat, Willem? Heb je daar bewijs voor?’ vraagt de man van de kerk.
‘Ja,’ zegt Willem en zakt onderuit. Hij stopt een hand in zijn broekzak en wiebelt met zijn voet heen en weer. ‘Het lijk.’ Gegniffel van de vrienden. Niels kijkt naar de grond en bijt op zijn lip. De man van de kerk draait met zijn ogen: ‘Heeft iemand misschien een zinnige bijdrage?’
‘Zouden we niet onze gasten moeten vragen of ze iets weten?’ Enkele hoofden draaien zich om naar de spreekster. Het is Gea.
‘Onze gasten?’ vraagt de man van de kerk.
‘Ja, die daar wonen.’ Gea wappert met haar handen richting Dorpsweg. ‘Eva ging veel met hen om.’ Instemmend gemompel uit de zaal.
De man van de kerk knikt. ‘Oké, misschien ...’
‘Je kunt het ook meteen vragen,’ klinkt de harde stem van buurvrouw Jaspersen boven het geroezemoes uit, ‘aan háár. Zij hangt ook altijd rond bij onze gasten.’ Ze maakt aanhalingstekens in de lucht. Geruis en geschuif van stoelpoten. Tientallen ogen op mij gericht.
‘Zij was het,’ zegt Willem. Hij grijnst. ‘Ik zag haar bij de plaats delict.’ Niels kijkt verbaasd op. Voordat ik een antwoord kan formuleren, roept buurvrouw Jaspersen alweer boven iedereen uit: ‘Zij en Eva hadden veel omgang met onze gasten.’
Iedereen begint door elkaar te praten en de man van de kerk heeft grote moeite zijn kudde in bedwang te houden.
‘Wil je hierop reageren?’ vraagt de man van de kerk aan mij. Ik kijk om me heen. Afwachtende ogen, boze ogen, ogen vol minachting, enkele met medelijden. Niels staart de andere kant op.
‘Nou?’
Ik schud mijn hoofd, geef de klapdeur een duw en ren weg. Buiten stoot ik een harde schreeuw uit en stromen de tranen over mijn wangen. Hoe durven ze! En Niels? Niels zou beter moeten weten. En ik geef dat feestje dus niet dáár. Om zo snel mogelijk, zo ver mogelijk van die zaal vandaan te komen, hol ik de Dorpsweg af. Ik ren van lichtcirkel naar lichtcirkel. Het miezert. Onder de lantaarns lijken het fijne ijsdruppeltjes. Ik ren linksaf de straat met de boerderijen in, ren door, sla weer linksaf en ren tot het fietspad waar ik Eva heb gevonden. Daar stop ik, steun met mijn handen op mijn knieën, hijg. Langzaam wandel ik naar lantaarn 18 en ga daar op een bankje zitten. Ik staar voor me uit, in gedachten bij Eva. Was het echt een ongeluk? Wie zou Eva iets willen aandoen? De gasten niet, Hamid zeker niet, zelfs Willem heeft geen enkele reden. Na een hele tijd, het moet minstens een half uur zijn, sta ik op. Verstijfd van de kou, maar warm vanbinnen. Ik weet waar ik Eva’s feestje ga houden. Snel ga ik ernaartoe.
In het steegje dat de straat met de boerderijen en de Dorpsweg met elkaar verbindt, is er herrie. In het lantaarnlicht schreeuwen drie zwarte schaduwen tegen een vierde, die zijn armen voor zijn gezicht houdt. Hij probeert te vluchten. Hamid! Een vijfde, Niels, leunt tegen een muur en speurt de straat af. Hij ziet mij. Willem schopt Hamid. Een van de vrienden geeft hem een fikse kaakslag. Ik versnel mijn pas.
‘Hee!’ roep ik. ‘Laat hem met rust!’
Willem wil op mij afkomen, maar wordt tegengehouden door Niels die zijn hoofd schudt en hem en de vrienden meetrekt. Ik ren naar Hamid. Hij raapt een kapotte telefoon en een gebroken insulinespuit van de grond op. Die waren van Eva. Hij huilt.
‘Daar moet ijs op,’ zeg ik als ik zijn gezicht bekijk. ‘Kom.’

‘Waar wil je dit hebben?’ vraagt Hamid, terwijl hij met twee overvolle boodschappentassen sjouwt. Ik gebaar naar de hoek. De tafels zijn tegen elkaar geschoven en er ligt een wit kleed op. Langzaam druppelen mensen het lokaal binnen. De een zet een grote schaal met geurende maneeash neer, een ander een couscoussalade. Ik sta op een stoel witte vlaggetjes op te hangen. Het is een week later en avond. Toch lijkt het of de zon vol schijnt in deze kleine ruimte: Eva is overal aanwezig. In de gesprekken van haar oud-leerlingen die de moeilijke Nederlandse taal van haar leerden om het inburgeringsexamen te halen, in de diversiteit van de hapjes, in de gemoedelijkheid waarmee iedereen op mijn uitnodiging heeft gereageerd.
Als de vlaggetjes hangen en ik twee Somalische dames de taak heb gegeven ballonnen op te blazen, staat Gea ineens in de deuropening. 
‘Mevrouw Woudstra,’ zeg ik. Wat doet zíj hier?
‘Wat ziet het er hier feestelijk uit. Wat vieren jullie?’
‘Het leven van Eva.’ Ik probeer haar naar de gang te loodsen, maar ze staat al midden in het lokaal.
‘Nou, wat góed van jullie,’ zegt Gea. ‘Zo multicultureel ook. Ja.’ Het ja zegt ze met een ademteug naar binnen. Ze pikt een rozijntje uit de couscoussalade. Nog een keer probeer ik haar met zachte dwang het lokaal uit te krijgen. Een helemaal in het wit geklede Turk biedt Gea baklava aan. Ik klem mijn kiezen op elkaar.
‘Weet mevrouw Jaspersen dat u hier bent?’ flap ik eruit op het moment dat haar mond vol is. Gea schudt haar hoofd, haalt dan een schouder op, gebaart waarom en kauwt stevig door op het kleverige gebakje.
‘Moest u niet komen spioneren van haar?’
Gea slikt. ‘Neeeee,’ zegt ze. Het klinkt haast verontwaardigd. ‘Ik was ... Ik bedoel, ik kwam hier ... nou ja, die bijeenkomst afgelopen week. Het liep allemaal een beetje uit de hand.’

„ ...ik sta bij het bosje naast lantaarn 18. ”

‘O?’
‘Ja, nou ja, iedereen denkt dat een jong meisje als Eva, ik bedoel ... Ze kan toch niet zomaar dood neergevallen zijn? Daar hangt toch iets crimineels omheen? Nou ja, dat dachten we allemaal. Allemaal. Een hoop sensatie is dat, zo’n dode in het dorp.’
‘Daar deed u anders flink aan mee. Door naar de gasten te wijzen.’
Gea ontwijkt mijn blik. ‘Ja, nou ja, ik vind het vreselijk wat er is gebeurd. Zomaar dood langs de weg liggen. In de kou. Vreselijk. Echt vre-se-lijk.’ Het is even stil en ze pikt een amandel uit de salade. ‘Maar ze had toch ernstige hartproblemen?’
Ik sla mijn armen over elkaar. ‘Nee,’ zeg ik. ‘Ze had geen ernstige hartproblemen. Ze was kerngezond.’ Ik heb geen zin om het over Eva’s diabetes te hebben. De schouwarts bevestigde gistermiddag mijn vermoedens: Eva had een hypo. En die gaan snel. Razendsnel.
Er komen steeds meer mensen binnen; de meeste stil en ingetogen. Ze komen pas los als we een toast hebben uitgebracht op Eva’s leven en ik ze heb uitgenodigd hun herinneringen aan haar in het boek te schrijven, dat op de hoek van de tafel ligt. Er wordt de hele avond ijverig in gepend.
‘In het Nederlands, hè, mannen!’ roep ik. Gelach, discussie in het Arabisch of het de of het meisje is. Gea gaat na de toast weg. Gelukkig. Met een kokosdrankje in mijn hand overzie ik de genodigden en glimlach breed. Eva zou dit prachtig hebben gevonden. We zouden nog wekenlang over elk detail hebben nagepraat. Iedere avond zouden we in het schrift hebben gelezen en het door de telefoon met elkaar hebben besproken. Ik loop op het schriftje af en lees een paar van de verhaaltjes.
Liefe Eva, begint er eentje. Jij hept mij Nederlands geleert. Ik schrijf slegt, maar praat goet. Ik mis jou, liefe Eva. Fuaad.
Een tweede luidt: Eva, door jouw goede lessen kan ik nu mijn havodiploma halen. We houden een feestje voor je en vieren je leven, zoals jij het wilde. Azhak Allah sinnaka. Kilala.
Eva zou alle bijzonderheden van de schrijver uitvoerig en kleurrijk beschreven hebben. Dat ze Kilala’s uitspraak van het woord zon zo mooi vindt, omdat ze de z echt stemhebbend uitspreekt. Dat Fuaad zo’n moeite had met de woordvolgorde en dat ze door zijn syntaxis steeds meer begrijpt hoe het Arabisch in elkaar steekt. Ik zou gelachen hebben, plagerig hebben gezegd, dat ze niet op al haar leerlingen verliefd moet worden. Ik hoor rennende voetstappen en kijk op, verwacht Eva’s verhitte gezicht te zien. Ik formuleer al een sneer, maar het is Eva niet. Het is Berat, de in het wit geklede Turk. Wit. Rouw. Eva is dood. Daarom ben ik hier. Ik heb ineens moeite om op mijn benen te blijven staan en mijn maag voelt alsof er tien vuisten in zijn geramd. Berat roept intussen iets naar me. Ik versta hem maar half.
‘... komen! Hamid ... buiten! Allemaal mensen ...’ Hij trekt me aan mijn arm mee. Ik struikel achter hem aan, nog altijd met het kokosdrankje in mijn hand. In de haast laat ik het bekertje vallen. Het maakt een natte klets op de grond. Ik wil het opruimen en met Eva praten, maar Berat duwt me nu richting de trap. Beneden is tumult. Ik schiet de trap af.
Midden op straat beuken twee donkere figuren in op een derde. Die verdedigt zich door de klappen met zijn rug op te vangen. De menigte kijkt. Maakt opmerkingen. Doet niets.
‘Hamid!’ roep ik. Ren op het gevecht af. Ik word tegengehouden.
‘Hij is de moordenaar!’ wijst Willem. Hamid valt op de grond. Schoppen tegen zijn hoofd, in zijn buik. Op zijn rug. Weer in zijn buik.
‘Stop!’ gil ik. ‘Stop!’
Ik probeer me los te wringen. De greep wordt steviger.
‘Blijf van hem af! Hij is onschuldig!’ roep ik. ‘Help dan toch!’
‘Hij heeft Eva vermoord!’ hoor ik in mijn oor. Woorden gedrenkt in bier. Het schoppen gaat door. Hamid blijft liggen.
‘Het was een ongeluk.’
‘Ongeluk? Hij had haar telefoon en nog iets. Dus.’
‘Laat hem gaan!’ gil ik. Hamid beweegt bijna niet meer. Er ontstaat een zwarte plek rond zijn hoofd. De vlek groeit.
‘Help!’ roep ik. ‘Help dan toch!’
‘Nee, nee,’ zegt Willem. ‘We gaan dat vriendje van jou eens een lesje leren.’

Ineens raakt een vuist Willem vol in zijn gezicht. Niels’ vuist. Ik ruk me los. Ren naar Hamid. Val naast hem neer. Achter me heerst verwarring. Niels wordt uitgescholden voor Judas. Het schoppen stopt. Geschreeuw. Omstanders die commentaar geven, maar niets doen. Het doffe geluid van een klap. Gescheld, voetstappen. De zwarte vlek uit Hamids hoofd spreidt zich steeds meer uit over de klinkers van de straat. Er wordt een jas over Hamid heen gelegd. Niels komt naast me zitten. Nog altijd zegt hij niets en kijkt me niet aan. In de verte klinken sirenes.
‘Nasra ...’ De schorre stem van Hamid is nauwelijks hoorbaar.
‘Ik ben hier,’ zeg ik.
‘Nasra ... Eva ... ik ...’ zegt Hamid in het Perzisch. ‘Eva ... tandenborstel halen. Zei duurt lang. Haar moeder, weet je ... Spuit ... ik wist niet ...’ 
‘Niet praten. Je bent ernstig gewond. Het geeft niet,’ zeg ik, ook in het Perzisch. ‘Het was een ongeluk.’
Hamid sluit zijn ogen, zoekt naar mijn hand. 
Dikke druppels vallen op ons neer.
Iemand klapt een paraplu open, maar de regen valt nog steeds op mijn rug en op Hamids gezicht. Er klinken meer openklappende paraplu’s. Ik kijk op. Gea, buurvrouw Jaspersen, de man van de kerk, de vechtjassen in houdgreep gehouden door enkele dorpsbewoners. Ze vormen een nauwe cirkel om Hamid, Niels en mij.
‘Waarom grepen jullie niet in?’ roep ik.
‘Je vriendje heeft onze Eva vermoord,’ probeert Willem weer.
‘Hij is mijn broer!’ roep ik. Niels springt op met een rood aangelopen gezicht, probeert Willem te stompen. Ik strijk voorzichtig over Hamids voorhoofd.
‘Nasra,’ Hamid opent zijn ogen, ‘ik hou van je en van Eva ... Ik ...’ Zwak knijpt hij in mijn hand. Even is het stil op het getik van de regen na. Druppels vallen op zijn bebloede lippen, op zijn verwarde haren. Hij draait met moeite zijn hoofd naar me, likt langs zijn lippen en probeert weer wat te zeggen. In het Nederlands dit keer: ‘Van de regen in de drup.’ Hij hoest bloed op. Nog een keer kijkt hij me aan. Dan valt zijn hoofd opzij. In het verstrooide lantaarnlicht vloeien de schaduwen op zijn gezicht samen in een droevige glimlach.

Delen op FaceBook Delen op LinkedIn Delen op Twitter