De talenreis 2: het Indo-Europees

20 juli 2019 5 - 10 minuten

De ruim 6500 talen van de wereld zijn in taalfamilies ingedeeld. Het Indo-Europees is daarvan de grootste en meest verspreide taalfamilie. In deze serie ga ik dieper in op de geschiedenis van het Indo-Europees en licht ik er in de komende delen een paar talen uit. Dit is deel 2 van de 18-delige serie over taal.

Toevallige ontdekkingen
Al in de 16e eeuw viel het de jezuïet Thomas Stevens op dat exotische talen als het Konkani (een Indiase taal) vele overeenkomsten hadden met het Grieks en Latijn. In die tijd ontdekte ook een geletterde Italiaan dat het Sanskriet en het Italiaans veel op elkaar lijkende woorden hebben, zoals devah/dio voor ‘god’, sapta/sette voor ‘zeven’ en nava/nove voor ‘negen’. Hij schreef hierover in zijn reisdagboek, maar zijn ontdekking en die van Stevens leidden toen nog niet naar vergelijkend taalonderzoek. Dat kwam pas in de 17e eeuw van de grond.

Taalverwantschap
In die eeuw begon, onder anderen, de Nederlander Marcus Zuerius van Boxhorn talen te classificeren. Hij deelde talen bij een bepaalde familie in op grond van overeenkomsten in telwoorden en namen voor familierelaties. Deze woordsoorten zijn in vrijwel alle talen relatief onveranderlijk en zijn daarom een goede keuze voor vergelijkend onderzoek.

Moeder
In de eeuwen na het onderzoek van Boxhorn is het onderzoek naar taalfamilies uitgebreid en verfijnd. Fonologische, morfologische en grammaticale overeenkomsten gingen de studies nu domineren. Tel hier de betekenis van een woord bij op en haal daar de factor ‘toeval’ weer vanaf en je houdt een taalverwantschap over. Het bekendste voorbeeld van zo’n taalverwantschap is misschien wel het woord ‘moeder’, dat in heel veel talen hetzelfde is: mother (Engels), Mutter (Duits), mère (Frans), madre (Italiaans), mat’ (Russisch) en mataji (Sanskriet). De uitkomsten van het vergelijkend taalonderzoek konden vervolgens uitstekend worden verbeeld in een stamboommodel.

Klankwetten
Een tweede facet dat meespeelt bij het categoriseren van talen betreft de klankwetten. Deze klankwetten stellen dat een klankontwikkeling in een taal in een bepaald tijdperk regelmatig is. In de tijd waarin bijvoorbeeld het Oergermaans overging in het 

Taalatlas met olifanten
„ Klankregels zeggen iets over de historische ontwikkeling van een taal. ”

Oudnederlands werd het einde van een woord ineens hard uitgesproken. Woorden die eindigden op bijvoorbeeld ‘b’, ‘d’ en ‘v’ klonken na die tijd als ‘p’, ‘t’ en ‘f’. Dat is in het Nederlands nog steeds zo (paard wordt nog steeds uitgesproken als ‘paart’). 

Van verwantschap naar familie
Waarom zijn klankwetten van belang voor het opstellen van taalfamilies? Zijn de uitspraaktechnische aspecten, de vorm en de verbuiging niet voldoende?

De klankregels zeggen iets over de historische ontwikkeling van een taal. Dit is van belang, omdat verwante talen van een gemeenschappelijke vooroudertaal moeten afstammen. De klankwetten helpen bij de reconstructie door de wetmatigheid van de historische ontwikkeling in kaart te brengen. Zo zijn de sporen ervan terug te volgen tot het punt waarop er geen schriftelijke overleveringen van de onderzochte talen meer zijn. Op die manier wordt het andere doel van de indeling in taalfamilies duidelijk: komen tot de reconstructie van een proto-taal.

Omstreden theorieën
De stamboomindeling voor onze tak van het Indo-Europees is overbekend: Nederlands en Duits zijn zustertalen en tevens nichten van het Frans. De gezamenlijke ouders, Germaans en Romaans, zijn ook zusters van dezelfde voorouder, het Indo-Europees. 

Tegenover de gangbare werkmodellen brengen enkele taalkundigen een ander visie in. De een, Joseph Greenberg, oppert dat het Indo-Europees is voortgekomen uit een nog oudere en grotere tak, de Euraziatische taalfamilie. Hij beargumenteert dit aan de hand van bewijzen die hij heeft gevonden in andere taalfamilies, zoals de Amerikaanse taalfamilies. Anderen gooien de hele Germaanse stamboomindeling op de schop. Blijkbaar vallen enkele Germaanse (sub)talen buiten de boot als het stamboommodel gehandhaafd blijft.

Recent onderzoek zou de weegschaal naar zowel de ene als de andere visie kunnen doen uitslaan, of misschien beide gelijk kunnen geven. Daarom werken onderzoekers nog steeds met de stambomen. Maar dit model lijkt wel speciaal gemaakt te zijn voor de Indo-Europese taalfamilie, die in leeftijd, verspreidingsgebied en aantal nakomelingen de boventoon voert.

In de volgende delen van De talenreis ga ik dieper in op drie Indo-Europese talen. Ik heb gekozen voor het Nederlands, omdat dat onze moedertaal is en het Russisch, omdat ik dat heb gestudeerd. Het Sanskriet is de derde keuze, omdat ik het fascinerend vind hoe een taal uit het oude, Verre Oosten verwant is aan onze moedertaal. Heb je ook een voorliefde voor een Indo-Europese taal? Laat dan een reactie achter (Facebook en Instagram) en misschien kies ik jouw taal wel voor het negentiende deel. 


Bronnen:

Talen van de wereld

Taal
De Grote Taalatlas
Indo-Europese talen
Germaanse talen
Museumkennis
Vreemde talen en hun stambomen

Deze serie verscheen eerder op Vertalersnieuws.

Delen op FaceBook Delen op LinkedIn Delen op Twitter