De talenreis 6: Zuid- en Zuidoost-Aziatische taalfamilies

20 november 2019 5 - 10 minuten

De vorige keren stond in onze talenreis de Indo-Europese taalfamilie centraal. Deze taalfamilie strekt zich uit van Europa tot Zuid- en Zuidoost-Azië, waar hij de Dravidische en Austroaziatische taalfamilies ontmoet. Over deze laatste taalfamilies gaat dit deel. Dit is deel 6 van de 18-delige serie over taal.

Sterke vermenging van de talen

De talen van Zuid- en Zuidoost-Azië vallen grofweg uiteen in drie families: de Indo-Europese, de grootste, de Dravidische in het zuiden en de Austroaziatische in het zuidoosten. De talen van deze drie families zijn sterk vermengd door generaties lange culturele contacten tussen de verschillende volkeren. Ook heeft het Chinees hier een grote invloed gehad. Over het Chinees en zijn invloed op andere talen zal ik in een ander deel van De Talenreis meer vertellen.

Dravidische talen

Overheersend in Zuid-India 
Hoewel het merendeel van de talen die in India gesproken worden tot het Indo-Europees behoren, komen de Dravidische talen op een goede tweede plek. De ongeveer 85 talen die deze familie rijk is, komen voornamelijk in Zuid-India voor. De bekendste zijn het Kannada, het Malayalam, het Tamil en het Telugu. Restanten in de grammatica van talen als het Marathi, het Gujarati en het Marwari (die tot de Indo-Europese taalfamilie behoren) doen vermoeden dat Dravidische talen voorheen op het hele Indiase subcontinent voorkwamen.

De Dravidische taalfamilie heeft geen relatie met andere taalfamilies. Er zijn pogingen gedaan die te vinden, om zo een (omstreden) theorie over een supertaalfamilie te bewijzen (de Nostratische supertaalfamilie). De theorie bewijzen is niet gelukt, maar in de Dravidische talen komen wél leenwoorden en overgenomen constructies voor vanwege de intensieve contacten tussen de sprekers van verschillende taalfamilies.

Kenmerken van de Dravische talen
Dravidische talen hebben een “clusiviteitsonderscheid”, een typisch kenmerk dat bij alle talen van deze familie voorkomt. Een spreker maakt in de eerste persoon meervoud onderscheid tussen de spreker en eventuele anderen INclusief de toehoorder en de spreker en anderen EXclusief de toehoorder. Voor deze “wij’s” bestaan twee verschillende vormen.

Een ander typisch kenmerk van Dravidische talen is agglutinatie. Dit betekent dat er tussen- en achtervoegsels aan de stam van een woord toegevoegd kunnen worden om de betekenis verder te specificeren (zie voor een uitgebreide toelichting Wikipedia). De verschillende Dravidische talen gebruiken overigens alleen achtervoegsels en geen tussenvoegsels.

 

De Austroaziatische taalfamilie

Drie hoofdtalen

In Zuidoost-Azië en het oostelijke deel van India en Bangladesh worden de Austroaziatische talen gesproken. De belangrijkste talen van deze familie zijn het Vietnamees (70 miljoen sprekers), het Khmer, de officiële taal van Cambodja met 8 miljoen sprekers, en het Mon. Deze talen hebben een lange geschiedenis die bovendien opgetekend is en dus een goede bron is voor historisch taalkundigen.

Boeddha op talenatlas

De grammatica’s van de Dravidische taalfamilie, het Indo-Europees en het Chinees hebben veel invloed gehad op de Austroaziatische talen. Er zijn in totaal maar liefst 168 Austroaziatische talen, die zijn verdeeld in twee grote familietakken, te weten het Mon-Khmer en het Munda. Deze takken zijn vervolgens weer verder onderverdeeld.

„ Meertaligheid is een manier van leven voor sprekers van de Dravidische en Austroaziatische talen. ”

Sesquisyllabisch
Een belangrijk kenmerk van de Mon-Khmertalen is dat ze uit twee lettergrepen bestaan, waarvan de hoofdlettergreep volledig wordt uitgesproken en de voorafgaande of volgende lettergreep gereduceerd. Dit verschijnsel heet sesquisyllabisch (anderhalf lettergrepig).

Een ander kenmerk is de glottisslag (het kortstondig onderbreken van de klank van de stem, zie Wikipedia) dat vele Austroaziatische talen hebben aan het einde van een woord. Dit fenomeen is echter weggesleten bij het Mon, het Khmer en het Bahnar.

Geen toontalen
Van oorsprong zijn de Austroaziatische talen geen toontalen, zoals het Chinees wel is. Dat sommige talen zich toch in die richting hebben ontwikkeld, wijten taalkundigen aan de invloed van naburige toontalen, zoals het Chinees. Een toontaal is een taal, waarbij de gesproken toonhoogte van een woord betekenis heeft. Een toon kan op één hoogte worden uitgesproken, of verlopen van hoog naar laag of anders.

Wel kennen sommige Mon-Khmertalen van oorsprong fonatie, ook wel register genoemd. Registertalen hebben klanken die ‘gewoon’ of helder kunnen worden uitgesproken, of met een lage ‘kraaktoon’ (creaky) of geaspireerd (breathy), wat ze een andere betekenis geeft. De peartaal Chong (een subtak van het Mon-Khmer) heeft zelfs vier verschillende registers. Gérard Diffloth, Frans taalkundige en expert op het gebied van Austroaziatische talen, denkt dat het Proto-Austroaziatisch een registertaal is geweest, omdat vele talen die daarvan zijn afgeleid het verschijnsel nog hebben.

Levenshouding
Meertaligheid is een manier van leven voor de sprekers van de Dravidische en Austroaziatische talen. Door de talrijke contacten moest en moet men wel. Het heeft er in ieder geval toe geleid dat vele talen naar elkaar zijn toegegroeid.

De volgende keer gaat de Talenreis naar China.

Bronnen:

De Grote Taalatlas
Stamboom Dravidische taalfamilie volgens Ethnologue
Stamboom Austroaziatische talen volgens Ethnologue
Dravidische talen volgens Wikipedia
Dravidische talen volgens Wikipedia (Engels)
Austroaziatische talen volgens Wikipedia
Austroaziatische talen volgens Wikipedia (Engels)
Meer over de Franse taalkundige Gérard Diffloth
Agglutinatie
Glottisslag

Deze serie verscheen eerder op Vertalersnieuws.

 

Delen op FaceBook Delen op LinkedIn Delen op Twitter