Etymologisch woordenboek plus letter C

De Woordenspuwer: cargadoor

10 oktober 2019 10 - 15 minuten

Dit is aflevering 3. Geschiedenis is onvermijdelijk als je je in de etymologie verdiept. Bij een van mijn zoektochten naar een geschikt woord werd ik getipt over oude beroepen. Een reisje naar het verleden aan de hand van een ‘cargadoor’.

Schepen en bruggen
Een cargadoor was een scheepsbevrachter, iemand die schepen voor opdrachtgevers laadde en loste. Je kunt er heel makkelijk cargo in zien. Zowel cargo als cargadoor stammen via het Spaanse cargador van het Latijnse carrigare dat weer is afgeleid van carrus ‘kar, wagen’.

Cargadoor wordt ook wel gespeld als kargadoor, maar dit is geen scheepsbevrachter. De kargadoor was een bruggentrekker. Het beroep bestaat niet meer om de simpele reden dat er geen handkarren meer over de hoge bruggen van Amsterdam hoeven te worden getrokken. De bruggentrekker was iemand die rondhing bij de bruggen en de venters hielp hun kar omhoog te trekken, waarbij hij, naar verluidt, ‘kar ga door’ riep. De bruggentrekker kreeg een paar centen voor zijn diensten. De laatste kargadoor stierf in 1940 in Amsterdam. Na de Tweede Wereldoorlog verdwenen de handkarren al snel uit het straatbeeld. De uitdrukking over de brug komen heeft rechtstreeks met dit beroep te maken: zodra je over de brug was, diende je de bruggentrekker te betalen.

„ cargadoor ”

Sorteren, knippen en krassen
Hoe verder terug in de tijd, hoe obscuurder de beroepen. Hoewel. Een conducteur der brievenmalen was nog niet zo heel lang geleden een goede dagbesteding. Wat deed deze goede man? 
In 1850 kwam er een postwet. De stukken werden in de trein door de conducteur der brievenmalen gesorteerd en afgestempeld. Dat deed hij in een postrijtuig dat vanaf 1856 tussen de passagierswagons werd opgenomen. Het werk werd onderweg gedaan, wat praktisch was omdat de postzakken nu niet meer op plaats van bestemming hoefden te worden gesorteerd. De afstempeling was erg populair bij filatelisten; een hobbyist die door de toenemende digitalisering ook aan het verdwijnen is.

Het woord conducteur komt heel rechttoe rechtaan van het Franse conducteur ‘leidsman, opzichter’ en kan teruggeleid worden naar het Latijnse conducere ‘samenbrengen’. Conducteur heeft tot ongeveer 1829 ‘leidsman, gids’ betekend en sinds de spoorwegen en het openbaar vervoer hun opmars maakten, verschoof de betekenis naar ‘beambte bij het openbaar vervoer’ en kreeg het woord uiteindelijk de specifieke betekenis die het nu heeft (‘kaartjesknipper, -controleur’).

Een wat nieuwer, maar ook verdwenen beroep is een crasseur. Het is een quasi-Frans woord, dat wil zeggen dat de oorsprong helemaal niet Frans is, maar Nederlands. Crasseur komt van krassen. Dit klinkt niet chic en het beroep was ook niet echt romantisch te noemen: een crasseur was iemand die in de scheepsbouw op metalen platen, balken of cilinders met een kraspen of vetkrijt de plekken aanmerkte waar geboord of gezaagd moest worden. Een andere inzet van de crasseur was strepen trekken bij terreinmetingen. Een en ander wordt tegenwoordig door de computer gedaan.

Speculeren
In het verleden waren er ook vage, om niet te zeggen dubieuze, beroepen. Wat dacht je van een celenverkoper of een coppelaetster?
Ten tijde van de VOC werden mannen vaak geronseld. Ze kregen van de VOC een schuldbewijs. Het was een soort voorschot op hun soldij. De mannen verkochten deze schuldbewijzen aan celenverkopers, die voor voedsel, kleding en huisvesting zorgden. Kwam de zeeman ongeschonden in de Oost aan, dan ontving de celenverkoper pas zijn geld. Het gebeurde dikwijls dat de VOC-vaarders onderweg stierven en de celenverkoper nooit geld ontving. Daarom verkocht de celenverkoper de schuldbewijzen aan speculanten. Zowel celenverkoper als speculant werd beter van deze regeling, maar de VOC-vaarder niet.

woordwolk C

Een ceel is een bewijsstuk. Het woord gaat via het Frans terug op het Latijnse cedula of schedula, wat een verkleinwoord is van scheda, scida ‘stuk papyrus’. Scida komt waarschijnlijk weer van het Griekse skizein ‘splijten’. Dat heeft ook  woorden als schisma en scheiden opgeleverd.

Oude kwakzalf
Tot slot de coppelaetster. Ik kwam het beroep tegen op beroepenvantoen.nl, maar had moeite de etymologie of het woord te vinden in diverse bronnen. Uiteindelijk vond ik koppelaatster in het Woordenboek der Nederlandse Taal (WNT), en kopster in een tekst met oude uithangborden en opschriften op gevels op dbnl.nl (zie bronnen). Een coppelaetster zet koppen, iets wat tegenwoordig cupping heet. Al in 1695 werd het beroep bespot en ook nu nog is de behandeling omstreden. Met behulp van verwarmde kopjes of kommetjes wordt op de huid van de patiënt een onderdruk gevormd. Het vacuüm zou gifstoffen uit de huid trekken. Het is een vorm van aderlaten als er ook nog sneetjes in de huid worden gezet. Een dubieuze praktijk. Het woord kop komt van het Latijnse cupa ‘kuip, ton, vat’. Daar is gelukkig niets dubieus aan.

Bronnen:
Kargadoor
Cargadoor
Cargadoor (etymologie)
Conducteur (etymologie)
Celenverkoper
Ceel (etymologie)
Coppelaetster
Kopster
Koppelaatster
Cupping

Delen op FaceBook Delen op LinkedIn Delen op Twitter