Etymologisch woordenboek plus letter F

De Woordenspuwer: fiets

3 december 2019 10 - 15 minuten

Dit is aflevering 6. Over het woord ‘fiets’ is het laatste woord nog niet gesproken, dat wil zeggen: we weten eigenlijk niet waar het precies vandaan komt. Er bestaan talloze theorieën. Tijd om die eens op een rijtje te zetten. En hoe zit het met de etymologie van andere vervoersmiddelen?

Waar komt dat fiets toch vandaan?
Fiets zou een klankwoord zijn, een onomatopee, gevormd uit het geluid dat een slecht gesmeerde fiets kan maken, melden diverse bronnen. Nee, zeggen andere, het zou een verbastering zijn van het woord vélocipède dat via filesepee, fietselepee uiteindelijk fiets zou zijn geworden, hoewel dat in mijn taalgevoelige brein nogal vergezocht is. Dan zou het eerder velo moeten zijn geworden, zoals ze in Vlaanderen nog altijd zeggen.

Historiek.net, nu.nl en nog enkele andere sites meldden triomfantelijk dat “na 140 jaar” de etymologie van het woord fiets eindelijk is achterhaald: de Gentse professor Gunnar de Boel kwam in 1886 op het woord omdat hij appelcider aan Duitse vrienden schonk. Zijn redenering: appelwijn heet Viez (uitgesproken als ‘fiets’) in het Duits, omdat het een afkorting is van vice-vinum, 'vervangingswijn'. Een fiets is eigenlijk ook een soort vervanging en wel van een paard, daarom noemden ze het vervoermiddel een fiets: een vervangingspaard!

„ fiets ”

Volgens Ewoud Sanders
Een serieuzere poging om het woord te duiden heeft Ewoud Sanders gedaan in zijn boekje Fiets! De geschiedenis van een vulgair jongenswoord waarin hij de etymologische sporen probeert terug te volgen naar de oorsprong. Dat dit geen sinecure was, blijkt wel uit de droge opmerking op Wikipedia: “Hij komt tot de conclusie dat de etymologie van het woord ‘onbekend’ is.”

Toch valt er wel het een en ander te zeggen over de herkomst. Het woord fiets bestond in de dagen dat het ding werd uitgevonden namelijk nog niet, toen heette het een draisine, naar de uitvinder Von Drais. Vervolgens ging het vervoersmiddel vélocipède heten, zoals de Fransen het noemden. De taalpuristen in die tijd (1880) vonden dat er een goed Nederlands alternatief moest komen voor dat vreselijke vélocipède, met al die accenten. Uit een krantenoproep kwamen voorstellen als snel-looper en wieltrapper, maar toen vonden de woordenboekmakers en hoogleraren dat ze zich ermee moesten gaan bemoeien. Daar kwamen vele woorden uit, maar niet een bleef hangen. Elders werd rijwiel, wielrijder en wielrijden geïntroduceerd en deze woorden zijn tot 1968 de officiële benamingen en werkwoord voor fiets, fietser en fietsen gebleven.

Intussen won het woord fiets terrein en wel omdat de fiets niet langer was voorbehouden aan de rijke bourgeoisie, maar nu ook beschikbaar kwam voor de armere delen van de bevolking. Sanders denkt dat fiets op twee manieren het deftige vélocipède heeft verdrongen: de eerste is dat het een verwijzing is naar de rijwielhandelaar Viets, die in die tijd (1880 en later) rijwielen ging verkopen en maken en ten tweede dat het een verbastering is van het dialectwoord vietse dat ‘snel voortbewegen’ betekent. Het kan zijn dat het een het ander heeft versterkt. Het kan ook van niet, want daar komt niemand meer achter. Dialectwoorden worden vaak niet beschreven in etymologieën of woordenboeken, zeker niet woordenboeken van een bepaalde periode, omdat de samenstellers ervan vonden dat de boeken ook een educatieve

woordwolk F

waarde hadden. Vulgaire, dialect- en ‘ongepaste’ woorden kregen daarin geen plek. Ik neig zelf erg naar de verklaring van de verbastering van het dialectwoord, omdat dat het meest logisch klinkt.

Auto, vliegtuig, trein, caravan
Andere vervoersmiddelen hebben een veel duidelijkere etymologie: auto komt natuurlijk van automobiel ('zichzelf in beweging brengende') en werd al in 1899 verkort tot auto.

Het woord vliegtuig stamt uit 1663 en betekende ‘luchtvaartuig’ en werd gebruikt voor allerlei mechanische machines die konden vliegen, ook luchtballons. Het woord werd later voornamelijk gebruikt in de betekenis van ‘vliegmachine met vaste vleugels’. Het woorddeel tuig heeft een oudere vindplaats en is al in 1450 in gebruik als ‘gerei’ of ‘krijgsuitrusting’ (voor paarden en soldaten). Meer daarover kun je lezen op etymologiebank.nl.

Trein is nu een voertuig op het spoor, maar betekende ooit (in 1613 bijvoorbeeld) ‘beweging, loop, koers’ in overdrachtelijke zin, maar concreet kon het ook ‘stoet, lange rij’ betekenen. De treyn des princen was de hele hofhouding van de prins. Iets wat we nu een karavaan zouden noemen. Karavaan was in de oorspronkelijke betekenis alleen van toepassing op een 'stoet reizende mensen, dieren en rijtuigen uit de woestijnen van Noord- en Oost-Afrika'. Ons woord karavaan komt van het Franse caravane dat via het Latijnse caravana uit het Arabisch (karawan) en Persisch (karwan) is ontleend. Het woord heeft een betekenisuitbreiding ondergaan van ‘reizende mensen’ naar ‘een konvooi schepen’ en in het Engels verschoof de betekenis naar ‘woonwagen’, dat wij weer hebben geïmporteerd als caravan ('kampeerwagen'), oftewel: de bekende sleurhut. En geen sleurhut is compleet zonder een paar... inderdaad: fietsen.

Bronnen:
Vervangingspaard (Historiek.net)
Etymologie 'fiets' ontrafeld (Standaard.be)
Etymologie van fietsen
Fiets (Wikipedia)
Fiets! De geschiedenis van een vulgair jongenswoord - Ewoud Sanders
Auto
Vliegtuig
Trein
Karavaan

 

Delen op FaceBook Delen op LinkedIn Delen op Twitter