Boeken met vlinderlamp

De mannen

25 april 2020 15 - 20 minuten

In 2013 deed ik mee aan een verhalenwedstrijd met als thema 'In de voetsporen van de meester'. De meester was in dit geval Roald Dahl en de verhalen moesten allemaal een 'dahleske' twist hebben. Mijn inzending haalde het boek en je kunt het hier lezen.

De mannen

Wankelend liep hij, en krom. Zijn tenen waren wit, tintelden. Hij had met een hand een stuk karton vast, dat om zijn onderlijf was gevouwen. Zijn borstkas ging snel op en neer. Hij rilde, had overal kippenvel. Ademen ging moeilijk en al zijn spieren deden pijn, alsof hij ze lange tijd niet had gebruikt. Zijn zicht was troebel. Hij botste tegen iets aan. Hijgend bleef hij tegen het ding aan staan. Het bleek een boom te zijn. Toen hij na een tijdje rustiger ademde, bekeek hij zijn lichaam. Kleren droeg hij niet en hij had het zo koud dat zijn huid ervan prikte. Zijn borst voelde klam, zijn schouder was geschaafd en zijn vingers waren stijf. Toen keek hij om zich heen. Gras, bomen, bankjes. Aan de andere kant een eendenvijver. Hij herkende het park van zijn woonplaats. Hoe kwam hij hier? Hij voelde aan zijn hoofd. Bloed. Zijn polsen zagen er rood en blauw uit. De bankjes met naamplaatjes vielen hem op. Die had hij erop geschroefd in aanwezigheid van de plaatselijke VIP’s. Zijn benen begonnen hevig te trillen, waarna ze het begaven en hij zijn bewustzijn verloor.

Hij werd wakker in een warme kamer met het geluid van regelmatig gepiep naast zich. Toen hij zich bewoog, merkte hij dat hij onder een deken lag en kleren aan had. Het geluid liep synchroon met zijn bewegingen. Al zijn inspanningen werden accuraat geregistreerd. Hij wreef over zijn pijnlijke arm en voelde een slangetje van een infuus. Zijn vingers waren gelukkig minder stijf, zijn lichaam was droog en warm.
   Het was dag. Licht scheen diffuus door de jaloezieën. Hij was alleen in de kamer. Naast hem stond een kastje met een vaasje veldbloemen erop. Aan de andere kant stond de hartmonitor. De kamer was wit, op een bruinige vlek op het plafond na. Lekkage, zag hij. Er was slordig overheen geverfd. Midden op de muur zat een verdwaalde sierlat, maar de bijbehorende schrootjes waren verwijderd. Hij schudde zijn hoofd om zoveel slordigheid, maar wist precies hoe hij deze kamer zou opknappen. Eerst het plafond aanpakken...
   De deur ging open. Er kwam een man binnen met een witte jas aan. Hij keek nieuwsgierig naar de man in het bed.
   ‘U bent wakker,’ constateerde hij en gaf de hem een hand. ‘Dokter Nadir.’ De man wilde antwoorden door zijn eigen naam te zeggen, maar kon er niet op komen. 
   ‘Amnesie,’ zei dokter Nadir. ‘Dat vreesde ik al. Wat weet u nog wel?’
   ‘Dat ik die lekkage wel kan verhelpen en dat de boel hier grondig opgeknapt moet worden. Ik ben in ziekenhuis Parkzicht,’ zei de man.
   Dokter Nadir knikte. ‘U bent in het park gevonden. Voorbijgangers belden de hulpdiensten. Een van hen heeft bloemen neergezet. U was naakt, onderkoeld en had wonden aan uw polsen, enkels, hoofd. Geschaafde schouder. Kunt u zich dat nog herinneren?’
   De man schudde zijn hoofd en zei: ‘Maar ik heb wel honger.’
   ‘Ah, eetlust, een goed teken!’ zei Nadir, terwijl hij de hartmonitor uitzette. ‘Ik laat een maaltijd voor u komen en dan gaan we aan uw geheugen werken. Ik denk dat het wel terugkomt, uiteindelijk.’
   Toen dokter Nadir weg was, sloot de man zijn ogen. Beeldflarden trokken voorbij: een bestelbusje, een meisje, bomen, een villa. Het gevoel te verdrinken. De man sloeg wild met zijn armen om zich heen, voelde geen weerstand van water en was zo opgelucht dat hij in tranen uitbarstte.  

Dokter Nadir had de man na twee weken uit het ziekenhuis ontslagen. Nu stond hij in geleende kleren op de parkeerplaats van het Parkzichtziekenhuis. Het was maandagochtend, eind april en fris. De man wist intussen weer dat hij Vincent Timmermans heette, in een rustige wijk woonde en een dochtertje van twee had. 
   Van de gebeurtenissen die tot zijn uitputting in het park hadden geleid, kon hij zich nog niets herinneren, ondanks alle inspanningen. Hij wist weer waar hij woonde en dat hij een bestelbusje had. Zijn geheugen stopte bij een beeld van zijn dochtertje dat hij een knuffel gaf en aan haar moeder overdroeg. Hij herinnerde zich ook weer hoe hij zich toen voelde: vol energie, omdat hij een grote klus had binnengesleept. Wat voor klus? Bij wie? Waar? Hoe hij ook probeerde, zijn geheugen zat vanaf daar op slot.

   Rondwandelend in zijn woonplaats bekroop hem de twijfel. Was het echt zijn stad? De huizen in de wijk rond het ziekenhuis zagen er verweerd uit, terwijl hij zich goed kon herinneren dat de eerste bewoners erin trokken. Het winkelcentrum aan de overkant leek opgeknapt en uitgebreid te zijn. 
   Vincent haalde zijn schouders op en probeerde zich te concentreren op zijn leven vóór het ongeluk, zoals dokter Nadir hem had aangeraden. De zon achter de gordijnen en een waaier haren op een kussen. Hij kuste een schouder met een paar zomersproetjes. Over de schouder keek hij naar een minihoofdje met donkere haartjes. Hij aaide de zachte haartjes. Zijn dochter met zijn donkere ogen. De baby klokte gulzig aan de borst van zijn vrouw. Dat dacht hij tenminste, maar háár gezicht kon hij niet zien. De herinnering gaf hem een intens gelukkig gevoel. Hij moest zijn dochtertje vinden, dat gevoel was zijn kompas. Dan kwam het met zijn geheugen ook wel weer goed, dacht hij. Daarom liep hij naar zijn huis, door een stad die vrijwel op elke hoek veranderd leek te zijn.

Hij sloeg linksaf en luisterde naar het ruisen van de bomen en het tjirpen van de lentevogels. Opgelucht zag hij dat zijn oude buurtje nog hetzelfde was. Er stonden alleen wat meer auto’s. En daar stond een bestelbusje. Zijn bestelbusje. Gewoon, op de oprit van zijn huis. Hij liep om het voertuig heen. De ruiten waren zwart geworden en de deuren vettig, alsof er jaren niets aan was gedaan. Hij probeerde het achterportier open te maken. Dat lukte zowaar. Binnen rook het naar verschraalde verf en oud hout. Aan de rechterwand hingen rode bakjes in een zelfgemaakt frame, vol spijkers, schroeven, moeren, bouten en onderlegplaatjes in staal en plastic. Alles keurig in het goede bakje met een dikke laag stof erop. Links zag hij plastic buizen, opgerold en tegen het dak geklemd, lijmklemmen, grote hamers, doeken, touw en werkhandschoenen. Tegen de bestuurderstoel stond een groene, ronde stofzuiger. Twee grote gereedschapskisten. Vincent klom in zijn bus en opende een van de twee. Alles zat er nog in: boor, schroevendraaiers, hamers. Hij blies het rode gruis van de boor en veegde een schroevendraaier aan zijn trui af. Het gereedschap was nog bruikbaar, zij het flink verwaarloosd. Hij stapte uit om een doek te zoeken om het gereedschap mee af te vegen.
   Toen hij omkeek, stond een vrouw - van in de dertig schatte hij - naar hem te staren.
   ‘Jij bent die man van het park! Heb je mijn bloemen nog gekregen?’ Vincent antwoordde niet. 
   ‘Je lijkt op een man van een foto van mijn moeder.’ Vincent zei niets.
   ‘Ben je hem? Nee, dat kán niet,’ zei de vrouw, meer tegen zichzelf dan tegen hem. ‘Dat busje was van hem, van die man. Ben je zijn zoon? Kom je het halen?’
   Vincent zei nog steeds niets, terwijl hij het idee had door zijn eigen ogen aangestaard te worden. 
   ‘Zwijgzaam type. Okee, neem dat busje dan maar mee, het staat hier maar. Hier.’ De vrouw gaf hem de sleutels van de bus. Toen draaide ze zich om en ging het huis, zíjn huis, binnen. Vincent staarde naar de sleutels in zijn hand en groef tegelijkertijd in zijn geheugen, voorzover dat toegankelijk was. De vrouw leek onmiskenbaar op hem. Had hij ergens een nicht waar hij niet van wist? Een halfzus? Het kon zomaar. Maar waar was zijn dochtertje? Verhuisd misschien? Dat kon ook zomaar. En wat deed deze vrouw in zijn huis? Moest hij aanbellen en het vragen? 
   Wat raar, dacht Vincent, terwijl hij de straat in liep. Ben ik veranderd? Anders had ik zo aangebeld en om opheldering gevraagd. Waarom nu niet? Hij keek rond. Het was echt de straat waar hij woonde. Hier was hij zijn bedrijf begonnen, parkeerde hij elke avond zijn busje op de oprit. Hij keek weer naar zijn bestelbus, die lonkte. Het achterportier stond uitnodigend open en bovendien had hij nu de sleutels. Hij besloot niet aan te bellen.

Timmermans, mans met timmeren vormden de letters op de bus, die Vincent met zijn vinger volgde. Hij glimlachte. Ja, dat was zijn humor. Hij verwijderde het ergste vuil en keek tevreden naar het opschrift. Het voelde vertrouwd. Dit moet zijn leven zijn geweest. Grote en kleine klussen verzorgen bij mensen thuis. Hij klom de bus in, snoof de geur nog eens op, pakte een hamer en liet hem door zijn vingers glijden. Hij maakte wat hamerende bewegingen en voelde hoe zijn spieren de handeling herkenden. 
   Op de stofzuiger lag een map. Zijn werkplanning? Hij sloeg de map open en zag vergeelde vellen papier met zijn kriebelige handschrift. Op het bovenste vel stond nauwelijks leesbaar: muur weghalen, draagmuur stutten, waterleidingen leggen, kasten timmeren, deuren maken en inzetten. Vitrinekasten maken en plaatsen. De lijst ging nog verder op de achterkant. Een megaklus zo te zien. Had hij die aangenomen? Op een ander stuk papier vond hij de offerte en het adres. Hij herkende het! In een opwelling sprong hij achter het stuur en reed weg. Hij wist nog precies hoe hij moest rijden.

„ Rondwandelend in zijn woonplaats bekroop hem de twijfel. Was het echt zijn stad? ”

Het huis was immens. Er stonden rode beuken, net uitbottend, in de tuin. Hij wist het zeker: hier had hij gewerkt. Op de oprijlaan stonden ambulances en politieauto’s met de zwaailichten nog aan. Hij parkeerde zijn bus en liep nieuwsgierig naar de zwaailichten toe.
   De dame in de villa was een aardige vrouw. Ze behandelde hem als haar kleinzoon, hoewel ze maar een paar jaar ouder dan hem bleek te zijn. 
   ‘Ik adopteer je, jongeman,’ had ze gezegd, toen hij een paar schilderijtjes voor haar had opgehangen. ‘Ik heb grootse plannen voor deze villa en jij mag ze uitvoeren.’ De twee jaar die volgden, was hij meer in de villa bezig dan dat hij thuis was. Hij had alles aangepakt, van de serre tot de dakkapel, maar ook de kleinere klussen in huis. Hij had een huisje in de tuin gebouwd, waar Gunilla haar laatste hobby uitoefende: schilderen. Hij had zelfs een schildersezel voor haar in elkaar getimmerd.
   Gunilla, ja, zo heette ze. Gunilla Ewoudszoon. Officieel heette ze Gunilla Ewoudszoon van Aarle-Rixtel tot Zwartenberg zich noemende en schrijvende Ewoudszoon. Toen hij dat hoorde, had hij hard gelachen. Gunilla lachte hard mee. Kon je een vriendschap beter beginnen dan met een lach? Ze vonden van niet. 
   Vincent stopte voor een afzetlint, bekeek de bedrijvigheid van de hulpdiensten. Er werden drie, vier, vijf zwarte zakken naar buiten getild en op een rij gelegd.
   Omdat het vanaf het begin af aan tussen hen had geklikt, vond hij het niet erg om ook de simpelste dingen te doen. Op den duur begon hij van het huis te houden, dat opbloeide en tot leven kwam onder zijn - al zei hij het zelf - vakkundige handen. Hij begon ook van Gunilla te houden, eerst als een hartelijke vriendin. Later als een innige vriendin.
   Vincent zag hoe er nog een zwarte zak op de grond werd gelegd. Het ambulancepersoneel liep af en aan. Er kwamen nog meer zakken uit de villa. Uit de kelder? Langzaam liep Vincent om de auto’s heen om te zien wat er aan de hand was.
   Toen belde Gunilla voor de grote klus in de kelder. Ze wilde eindelijk werk maken van haar unieke verzameling, zei ze. Hij ging voortvarend aan de slag. Hij maakte verlichting in het plafond, verlegde waterleidingen en stortte een betonvloer. Hij hakte een raam uit voor het nodige zonlicht. Daarna kwamen de vitrinekasten, die hij samen met een collega installeerde. Het waren grote, lompe dingen. Manshoog. Op de vraag wat er in moest komen, glimlachte Gunilla en zei dat hij dat snel genoeg zou merken. 
   ‘Allemaal mannen,’ hoorde hij een verpleger tegen een agent zeggen. ‘Ze zijn allemaal naakt. En dood. Als de generator het niet had begeven...’
   Er kwam een andere agent hoofdschuddend aanlopen. Hij overhandigde zijn collega een voorwerp. Vincent herkende het onmiddellijk als zijn werk. Het was een houten bordje, waarop een goudkleurig plaatje was geschroefd. 
   ‘Dit is echt te bizar voor woorden,’ zei de agent tegen zijn collega. ‘Er staan daar wel vijftig grote kasten. Sarcofagen meer. Vrieskisten. Of hoe noem je dat? In elke vrieskist staat een man. Ze waren op de een of andere manier ingevroren, volgens Jansens.’
   ‘Jansens?’
   ‘De nieuwe lijkschouwer. Ze zijn allemaal aan polsen en enkels vastgebonden. Alle vrieskisten zijn gevuld, behalve één. Helemaal leeg. Geen lichaam ernaast, gewoon weg. Foetsji. Moeten we ook nog een vermist lijk zoeken. Moet je dat eens lezen.’ 
   De collega las voor: ‘Mijn timmerman, mijn dierbare vriend, mijn minnaar. Toegevoegd in 1983.’
   ‘Hij was de eerste. De laatste is in 2009 toegevoegd,’ vervolgde de agent zijn verslag, maar Vincent luisterde niet meer. Hevig geschrokken rende hij de oprit af. Weg van het huis. Hij dook zijn busje in en sloeg het met een knal dicht. Hij beukte met zijn vuisten op het stuur. De pijn in zijn hand drong diep door in zijn hart. Hij brulde het uit. Zijn geheugen was volledig teruggekeerd.

Zie ook: LetterRijn 

Delen op FaceBook Delen op LinkedIn Delen op Twitter